user_mobilelogo

Expositie HVKMA

Expositieruimte is te bezoeken iedere dinsdag van 11.00 uur tot 16.00 uur. Kasteelplein Breda.

 

JavaScript must be enabled in order for you to use Google Maps.
However, it seems JavaScript is either disabled or not supported by your browser.
To view Google Maps, enable JavaScript by changing your browser options, and then try again.

Afdrukken

Luitenant-generaal der Cavalerie  H.Ch.G. Baron van Lawick
Gouverneur der KMA van 1934 - 1945

Gouverrneur Lawick 

 

Voorganger
C.J.H. van der Harst
Overzicht Gouverneurs Opvolger
K.F. Puffius

 

 

Loopbaan

Hugo Ch.G. Baron van Lawick werd op 24 mei 1882 te Batavia geboren. Lang heeft hij er niet gewoond, want toen hij 12 jaar was gingen zijn ouders naar Nederland. Hij bezocht de HBS in Nijmegen en in Breda, in welk laatste stad bij in 1902 zijn HBS diploma behaalde. In laatstgenoemd jaar werd hij ook toegelaten tot de Kon. Mil. Academie te Breda, waar hij van 1902 tot 1905 werd opgeleid als cadet bij het wapen der Cavalerie.
Hij was een zeer actief en niet alleen lid van vele verenigingen, maar hij werd ook in het derde studiejaar gekozen tot Voorzitter van de Senaat van het Cadettencorps, terwijl hij tevens president was van “Kilacadmon” en Voorzitter van de Cadettenalmanak.
In 1905 slaagde hij voor zijn officiersexamen en werd op 24 juli benoemd tot 2e Luitenant der Cavalerie en aangesteld bij het 4e Regiment Huzaren te Deventer, vanwaar hij in 1906 werd overgeplaatst naar Zutphen.
Na in 1908 te zijn bevorderd tot 1e Luitenant der Cavalerie werd hij in 1909 gedetacheerd bij de Rij- en Hoefsmidschool te Amersfoort en in 1910 bij het 1e Regiment Huzaren eveneens in Amersfoort.
Een jaar later werd hij teruggeplaatst bij het 4e regiment Huzaren te Deventer en van daaruit gedetacheerd te worden bij de Hogere Krijgsschool te ’s-Gravenhage ter bijwoning van de cursus voor algemene Studiën.
Ten gevolge van de mobilisatie in 1914 moest hij zijn studies voor enige tijd onderbreken, maar in 1917 voltooide Baron van Lawick zijn studies aan de H.K.S., waarna hij achtereenvolgens werd gedetacheerd bij het Hoofdkwartier van het Veldleger te Oosterhout en de Staf van de 3e Divisie te Oudenbosch.
In 1918 werd de Luitenant van Lawick van de Hogere Krijgsschool overgeplaatst naar de Kon. Mil. Academie, waar hij werd aangesteld tot leraar tactiek en tactische oefeningen. In 1920 werd hij benoemd tot Hoofd van het Cavalerieonderwijs, waarbij hij tevens les gaf in paardrijden en rij- en africhtingskunst.
Na in 1923 te zijn bevorderd tot Ritmeester-titulair volgde een jaar daarna zijn bevordering tot effectief Ritmeester. Hij bleef op de KMA  gehandhaafd, maar van 1925 tot 1926 gaf hij alleen maar les in paardrijden, terwijl hij vanaf 1924 tevens Commandant was van de Compagnie oppassers.
In oktober 1926 werd Ritmeester van Lawick overgeplaatst naar de Generale Staf, waar hij werd aangesteld tot Chef Staf der Lichte Brigade te ’s-Gravenhage. Deze functie zou hij tot 1931 vervullen.
En nadat hij in september 1928 was bevorderd tot majoor der Cavalerie volgde in december 1931 zijn bevordering tot Luitenant-kolonel der Cavalerie, waarbij hij tegelijkertijd werd benoemd tot Commandant van het regiment Wielrijders te ’s-Hertogenbosch.
Bijna drie jaar lang zou hij die functie vervullen totdat hij in november 1934 werd benoemd tot Gouverneur der KMA en deze functie zou hij uitoefenen tot aan zijn pensioen op 1 oktober 1945.
In 1936 werd hij bevorderd tot Kolonel der Cavalerie en 2 jaar later volgde zijn bevordering tot Generaal-majoor.
Gemakkelijk is zijn Gouverneurschap van Generaal-majoor van Lawick niet geweest. Het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en de inval van de Duitsers in mei 1940 brachten een schaduw over zijn leven, maar later noemde hij het commando over de KMA de mooiste periode uit zijn militaire carrière.
Op 29 augustus 1939 begonnen voor hem de moeilijkheden al met het in werking treden van de mobilisatie.
Op deze dag vertrokken de cadetten en het personeel der KMA voor zover zij niet bestemd waren voor het beheer en het onderhoud naar Haarlem. De scholen voor reserveofficieren vertrokken eveneens naar Haarlem om met de KMA te worden verenigd tot de Centrale Onderwijsinrichting (C.O.I.).  
Zowel de KMA al elke S.R.O. beleef hierbij onder  haar eigen commandant haar eigen opleidingstaak vervullen, terwijl  de Gouverneur der KMA als commandant van de C.O.I. optrad.
Op 15 september 1939 werd de C.O.I. ten gevolge van het verdwijnen der oorlogsdreiging in haar geheel van Haarlem naar Breda overgeplaatst.
Maar nadat op 7 mei 1940 het telegram “Intrekken verloven” verscheen, vertrok de gehele C.O.I. op 8 mei 1940 weer naar Haarlem, waar het geheel werd ondergebracht in de Koude Hornkazerne, terwijl de KNIL soldaten onderdak kregen in de MTS aldaar.
Daarna kwamen de oorlogsdagen……..
Generaal-majoor van Lawick keerde op 7 juni 1940 terug naar Breda en voerde daarna vele besprekingen in Breda en ’s-Gravenhage over de positie en toekomst der cadetten en over het veilig stellen van het Archief en de Schilderijenbezit de KMA.
Op 14 juli 1940 weigerde Generaal-majoor van Lawick de door de Duitsers gevraagde Erewoordverklaring te tekenen.
Wie de verklaring tekende zou – gedurende de oorlog- niets meer tegen de Duitsers mogen ondernemen en zou gevolg moeten geven aan de orders, die door de Duitsers gedurende de oorlogstijd zouden worden uitgevaardigd.
Wie niet tekende zou regelrecht in krijgsgevangenschap naar Duitsland worden afgevoerd. Dit lot onderging Generaal-majoor van Lawick, die op 16 juli 1940 als krijgsgevangene naar Duitsland werd weggevoerd.
Van 1940 tot 1945 vertoefde Generaal-majoor van Lawick in Duitse krijgsgevangenschap.
In de roerige naoorlogse dagen van 1945 werd hij militair raadsheer van het Bijzonder Gerechtshof te ’s-Gravenhage. In dat jaar verkreeg hij op 1 oktober eervol ontslag als officier onder dankbetuiging voor de “veeljarige en belangrijke diensten onder moeilijke omstandigheden den lande bewezen”.
Op 17 december 1945 werd hij benoemd tot militair raadsheer bij het Bijzonder Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch.
Op 14 juli 1949 droeg Generaal-majoor van Lawick het commando over de KMA over aan de nieuwe benoemde Gouverneur Kolonel K.F. Puffius. Dit geschiedde ter gelegenheid van de officiële heropening van de KMA in tegenwoordigheid van Z.K.H. Prins Bernard en vele civiele en militaire autoriteiten.

 

Tijdens de viering van het 125-jarig bestaan van de KMA in 1953 werd generaal-majoor van Lawick bevorderd tot Luitenant-generaal titulair.
Na zijn pensionering bleef hij met de KMA regelmatig contact onderhouden. Hij was ook een zeer geziene figuur bij de feestelijkheden op de KMA en jaarlijks was hij aanwezig bij het Assaut, bij de Diesviering op 24 november en bij de uitreiking van de Diploma’s.
Op hippisch gebied had hij een grote naam en hij was ook een groot hockey enthousiast. Van zijn hand verschenen vele artikelen in krijgskundige tijdschriften. Hij was drager van vele binnen- en buitenlandse onderscheidingen.
Maar zijn dierbaarste onderscheiding was de gouden Academiemedaille, die hem werd uitgereikt tijdens de Diesviering op 24 november 1960, waarmede de grote verdiensten voor de KMA werden beloond van deze Gouverneur, die eens gezegd heeft, dat juist het sociale aspect van het Gouverneurschap zo aantrekkelijk was, omdat hij in de opvoeding van jonge mannen tot officier werkelijk zijn levensroeping zag. Luitenant-generaal van Lawick, een van de markantste Gouverneurs die aan het hoofd van de KMA heeft gestaan, overleed te Breda op 13 september 1965 – op 83 jarige leeftijd. De teraardebestelling vond – onder overweldigende belangstelling  - plaats op de Protestante Begraafplaats Zuylen.